De luchtfietser en de bloemendief

De luchtfietser en de bloemendief (fragment)

Ik weet niet wie mij ingefluisterd heeft dat de diepste gedachten op de wc ontstaan, wel weet ik dat ik in die prozaïsche omgeving af en toe verrassende ontdekkingen heb gedaan. Stiekeme dingen deed ik op de wc: een sigaretje opsteken of een sigaar, verboden brieven versnipperen en doortrekken, me terugtrekken als de hele wereld tegen me was. De wc was de plek om mezelf toe te spreken, om mijn eigen clichés te ondermijnen, om het metafysische aards te maken en tot de essentie van problemen door te dringen. Nog steeds lees ik moeilijke boeken op de wc: ik kan ze daar vertalen in mijn eigen termen. Hegel, Schopenhauer, Marx, ze liggen bij mij thuis naast de closetrollen. En dat is een betere plaats dan op mijn bureau. In het kleine hokje laat ik me niet door de grote denkers imponeren, ik voel ze aan. Achter mijn bureau praat ik ze na, word ik een epigoon. 'Alleen de dood is een slaap waarin de individualiteit zichzelf vergeet,' zo'n zin van Schopenhauer bijvoorbeeld schiet me nu op de wc van het verpleegtehuis te binnen terwijl ik de woorden van de luchtfietser probeer te begrijpen. Ja, die ene zin schiet me te binnen en ik denk: het is onzin, geen mens weet of de dood een slaap is, laat staan dat hij kan weten of hij in die slaap zichzelf zal vergeten. De dood is een raadsel. Zoals de duur van onze individualiteit dat ook is.

 

 

De hoofdpersoon van deze roman raakt zo geïntrigeerd door de geschiedenis van twee oude mannen in een verpleegtehuis dat ze zich meer en meer vereenzelvigt met hun bizarre levensverhaal dat zich voegt in Giotto’s allegorie van deugd en ondeugd.

Recensies


‘Een fijnzinnig liefdesverhaal,’ stond er in De Morgen.