De wc

Ik weet niet wie mij ingefluisterd heeft dat de diepste gedachten op de wc ontstaan, wel weet ik dat ik in die prozaïsche omgeving af en toe verrassende ontdekkingen heb gedaan. Stiekeme dingen deed ik op de wc: een sigaretje opsteken of een sigaar, verboden brieven versnipperen en doortrekken, me terugtrekken als de hele wereld tegen me was. De wc was de plek om mezelf toe te spreken, om mijn eigen clichés te ondermijnen, om het metafysische aards te maken en tot de essentie van problemen door te dringen. Nog steeds lees ik moeilijke boeken op de wc: ik kan ze daar vertalen in mijn eigen termen. Hegel, Schopenhauer, Marx, ze liggen bij mij thuis naast de closetrollen. En dat is een betere plaats dan op mijn bureau. In het kleine hokje laat ik me niet door de grote denkers imponeren, ik voel ze aan. Achter mijn bureau praat ik ze na, word ik een epigoon. 'Alleen de dood is een slaap waarin de individualiteit zichzelf vergeet,' zo'n zin van Schopenhauer bijvoorbeeld schiet me nu op de wc van het verpleegtehuis te binnen terwijl ik de woorden van de luchtfietser probeer te begrijpen. Ja, die ene zin schiet me te binnen en ik denk: het is onzin, geen mens weet of de dood een slaap is, laat staan dat hij kan weten of hij in die slaap zichzelf zal vergeten. De dood is een raadsel. Zoals de duur van onze individualiteit dat ook is. De Muze van het Moortgat 1998 Gerard... Gek dat ze hem was vergeten. Ze hadden naast elkaar gezeten. Op school. Er werd gefluisterd dat Gerards bloed niet goed was, hij mocht niet vallen, want dan zou hij doodbloeden. Daarom had ze al haar korsten opgespaard, had ze met uiterste zorg plakkaten geronnen bloed van haar knie gepeuterd. Velpon lijmt alles. Achter de rozenstruik had ze de korsten verstopt. In een plastic zakje. Ze zou Gerard redden, hij was haar vriend, hij vertrouwde haar al zijn geheimen toe: dat zijn vader 's nachts zijn piemel uit zijn pyjamabroek haalde om tussen zijn moeders benen te plassen, dat hij zijn vader dan hoorde hijgen, dat een man zich door zoiets een stuk beter voelt. Wil jij je ook beter voelen, Gerard?' Gerard had geknikt, zijn blauwe ogen hadden hemels gekeken en met zijn kleine garnaaltje had hij tussen haar benen geplast. `Voel je je nu beter, Gerard?' `Nee, vies!' Een maand later was Gerard dood. Ditmaal had ze zich niet schuldig gevoeld aan de dood, het was of haar een abonnement op de eeuwigheid te beurt was gevallen. Saternacht 2001 Weet je wat ik had willen zeggen? Als twee ogen die samen opengaan en zich sluiten, zo delen wij je horizon, zo blijf je ons geheim. Ik zei geen woord. Roosje sprak wel: 'Samme is van God, hij slaapt onder water.' Later bij je graf bedacht ze zich geen seconde: geen aarde, geen lentebloesem, maar haar beslagen bril gooide ze op je kist. 'Je hoeft niet bang te zijn, Samme, met mijn bril zie je alles.' Ook dat had ik willen zeggen: 'Niet bang zijn, liefje, je bent vrij.' Ik kan je niet meer bij de hand nemen, je niet meer beschermen. Wat rest is het sprokkelen van verhalen, beeld voor beeld, stap voor stap. Zo'n beeld, Samme, zo'n stap. Je vader en ik, eenendertig jaar terug. We wilden álles die nacht. Op een zompig bed van verpulverd blad eigenden we ons met trillende leden en een hart van slag dat sleetse, boven alle zinnen verheven álles - van honing tot droesem - toe. Zo ben jij verwekt. In de onzalige bossen. Als vrucht van eenmalig genot. En later... Je moest eens weten, hoe vaak ik gedacht heb, laat het terugkomen, laat het me weer voelen, die roes van onrust. Denken, het gebed der goddelozen, werd mijn gebed. Want goddeloos was ik, goddeloos en gretig. Ik zocht de vuurdoop, de buiteling, betrad verborgen werelden, raakte verteerd door een misselijkmakende lust. Alleen maar handen, mond, alleen de hybris van de korte stonde: de venusbrand. Er waren geen woorden nodig die nacht, geen verdichtsels. Die kwamen later. Ze groeiden als een kwaadaardig gezwel onder de oppervlakte van mijn huid Ik vertel je hierover, liefje, om bij je te zijn. Toen je nog leefde was dat simpel: ik hoefde mijn hand maar op je voorhoofd te leggen, je in te stoppen en je te knuffelen met Barbie Belinda in je armen. Grote jongen, dacht ik dan, groot babymens, en ik fluisterde, 'ga maar lekker slapen, mijn Samme-diertje.' Ik fluisterde dwaze troetelnamen die jou rustig stemden. Jij zweeg, keek langs mij heen. Wat denk je toch, vroeg ik me af. Wat denkt een mens verstoken van taal? Wat voelt een volwassen man met een pop in zijn armen? Jij kon niet praten. En ik? Ik zocht mijn troost in woorden. Je T-shirt ligt nog altijd onder het kussen. 'We deden het voor jou,' fluisterde je vader op je sterfdag. Ik dacht: zo voelt het, het begraven groen, de tierende passie, zo vindt de gehavende illusie van Eros rust in zichzelf. Zo bedden aanvang en roes zich schrijnend in. De portiekvrijer 2004 Insecten kunnen niet denken, dacht ik mijn vorige bestaan, ik had het mis: ik denk. Ik denk aan de vrouw die ik eens was. Vooral de onrust van toen is me bijgebleven: de dampige sms'jes, de kriebel in mijn maag, het vergeefse wachten. 'Ik verwacht niets,' mailde ik naar mijn laatste verovering, maar verwachtte álles. Ik liet zijn overspelig ego fonkelen in mijn vleierijen, onderwierp me aan zijn lust, wilde zelfs de staart van zijn hond zijn. In smachtende smeekbeden verpakt bood ik oprechte vriendschap aan, hunkerend naar eenwording: dans met mij de kleine dood. Tot de dood mij vond. Achter op zijn motor. 'Ik wil meer dan gestolen uren,' schreeuwde ik in zijn gehelmde oor, 'meer dan alleen maar vlug-vlug-vlug!' Lachend draaide hij zijn hoofd om. Een onvoorziene bocht. Piepende remmen. Gierende banden. Glad wegdek. De doodsmak. In minder dan geen tijd ving mijn afreis aan. Levenloos werd ik naar een immense ruimte gezogen waar het zo warm was dat mijn rubberzolen smolten. Mijn god, dacht ik, ik ben in de hel beland. Geen hemelse zaligheid, geen groene weiden omzoomd door zonnestralen, maar verdoemenis en donkerte staan me te wachten. En toen, in die zinderende uitgestrektheid, was er opeens een vuurvliegje dat neerstreek op mijn hand. Met bronstig stemgeluid sprak het: 'Het is afwachten waar ze je zullen plaatsen. In de hemel of de hel.' Even zweeg het beestje om eraan toe te voegen: 'Je staat nu voor het vagevuur. Wat een hitte hier, vind je ook niet? Nogmaals: je bestemming is nog onzeker. Misschien krijg je een herkansing, dan word je teruggestuurd naar de aarde. Als vagevurist.' Terug naar de aarde? Als vagevurist? Wat moest ik me daarbij voorstellen? Vonken spatten op mijn kalfsleren jack, mijn ogen traanden. Het leek wel of de leegte waarin ik zweefde alleen voor mij bestemd was én voor dat merkwaardige vliegje. Na een tijdje hoorde ik ook hoongelach en geschreeuw. 'Ze heeft haar kleren nog aan,' bulderde een stem, 'en haar gympen ook. Alles moet uit voor de wederkeer. Heb je ooit een hondsdagenvlieg in een string gezien?' Onzichtbare handen ontkleedden mij, ik zag mijn gympen, spijkerbroek en karmijnrode lingeriesetje branden. 'De attributen zijn alvast gelouterd,' fluisterde de stem van het vuurvliegje, 'nu jij nog!' Het beestje was nog niet uitgefluisterd of ik voelde hoe mijn lichaam verdween en zag vuur, alleen maar vuur. Na enige tijd ontdekte ik ook schimmen in de immense vlammenzee. 'Hebben jullie haar al tijdloos gemaakt?' vroeg een van die engelachtige wezens. 'Ze is gevaagd, ja,' was het antwoord, 'ze smolt als een chocolaatje op een warme zomerdag. Als boter was ze. Maar dat wisten we al. Niet dat we iets aan haar vleeszwakte hebben. Haar chuldgevoel en onvervuld verlangen maken haar bruikbaar voor deze zomermissie.' Bij schuldgevoel en onvervuld verlangen kon ik me iets voorstellen. Maar zomermissie? Welk hoger plan ging met mij op de loop? Ik voelde me van alle zekerheden ontdaan zonder mijn lichaam. Voorbij, dacht ik, alles is voorgoed voorbij. In vonken vernietigd besefte ik akelig scherp de ironie van mijn situatie: ik was er én ik was er niet. Wat verlangde ik terug naar het stoffelijk omhulsel van mijn altijd onzekere ik. Ik miste mijn kloppend hart, mijn nagels om op te bijten. Miste het borstelen van mijn haar, het epileren van mijn wenkbrauwen, het aanbrengen van mascara, het snuiten van mijn neus. Zelfs mijn ziekelijke zucht naar de bedrieglijke complimenten van mijn minnaars miste ik. Ach, ik miste gewoon de vrouw die ik eens geweest was.


Ga terug