Haar stem uit het graf

Je had een naam, een mooie naam, die ik met mijn vinger in het natte zand schreef. De letters werden uitgewist door de golven. Ik denk je in de golven, in witte kopjes die breken, die vallen. Ik voel je treurigheid. In kleurige segmenten spreid ik me voor je uit, ben diminuendo, ben morendo, ben stilte. Er waren dagen, er waren nachten, er was een beperkte regelmaat van 's ochtends wakker en 's avonds moe. Er waren krentenbollen en kopjes thee en walnoten, er was witte wijn. Er waren boeken, er waren kranten. In je schoot, in je ogen die wazig werden, was er stilte met bijgeluiden. 'Als dit geen liefde is.' Het zou moeten zijn als een boom: wortel, stam, takken, twijgen die opgezogen worden in groen dat zich moe geworden laat vallen, prachtig verkleurd, verrot tot voeding wordt. Zo zou herinnering moeten zijn: ontstaan en vergaan en ontstaan. Opnieuw geboren worden, dat zou herinnering moeten zijn. De vijver was een spiegel, ondanks waterlelies en rietkragen, ondanks waterpest. Ik zag mezelf zitten, gehurkt naast de treur-es. Ik zei: 'Dit ben ik, een schaduw, een uitsparing in de tijd.' Ik zag je staan. Ik werd water, vuur, aarde, lucht. Tranen die druppelen. Verlangen sterft nooit. Alsof er twee werelden zijn, dacht ik. Een wereld die beweegt en uiteenvalt. Een wereld die blijft en stilgelegd ademt: natura morte. Alsof we samengroeiden in die wereld.


Ga terug